Het mooiste antwoord kreeg ik van de oudere man, altijd in het wit gehuld. Ik schreef het al eerder, de vraag die je het vaakst hoort is “Alles goed?”. Ik vermijd die vraag het liefste, dus ik vroeg hem “Hoe gaat het met je?”. Hij vertelde mij met een peinzend gezicht dat hij daar nog even over na moest denken. Even later vertrok hij, op z’n brommer, om weldra met de taxi terug te komen. Dit schijnt hij vaker te doen. Hij streek neer op het bankje van het terras en zei: “Ik kan nu met zekerheid stellen dat het goed gaat met me”. Ik vond het prachtig.

Ik vond het prachtig hoe deze man op een ogenschijnlijk simpele, beter gezegd; veel voorkomende vraag, geen vluchtig antwoord wilde formuleren. Het leven is al zo vluchtig, en vol met onwaarheden. En of die laatste nou voortkomen uit de wil om te liegen, of uit de haast die zo’n groot deel van de Nederlandse bevolking altijd lijkt te ervaren (“goed, goed, druk, druk”), maakt feitelijk niet uit. Ik vond het zo mooi dat deze man, die ik niet zo heel goed ken overigens, mijn vraag, en daarmee mijn karakter, zo serieus onder de loep nam en mij in alle eerlijkheid en weloverwegendheid wilde antwoorden.

Gisteren zag ik hem weer, op datzelfde bankje bij ’t café, en vlak voordat de stortbui losbarstte vroeg hij me: “draag jij wel eens armbandjes?”. Ik zei hem van ja, mezelf afvragend waar dit gesprek me nu weer heen zou leiden.

Hij bleek, net als ik, een hippie (wat ik ook wel had kunnen bedenken door z’n witte kledij, maar niet gedaan had). In de zin van; wierrookjes en kaarsjes branden, en edelstenen verzamelen. Hij gaf mij een kralenarmbandje van amethist, een steen die ik direct herkende, met een lotusbloem in het midden. Bij wijze van excuus vertelde hij me dat het ding in een pakket zat dat vandaag bezorgd was, samen met de andere zweef-dingen, en dat hij zelf geen armbandjes draagt. Ik gaf hem een knuffel, en bedacht; deze man is lief. Raar, ook dat, maar zo ontzettend lief.

Hij is één van de nieuwe mensen die ik de laatste weken ontmoet heb, en dat zijn er, voor de verandering, een heleboel. Het hoe en waarom, het wisselen van “stamkroeg” (mooie term is dat ook), kan ik niet eens zozeer verklaren. De pub, waar ik tot het meubilair behoor, zoals zovelen van m’n vrienden, is nu dicht op maandag, en zodoende wandelde ik eens binnen in de huiskamer van o.a. de witte man. En om redenen die ik nog in mezelf moet kunnen herleiden, vond ik mezelf steeds weer dáár, naast de petdragende punker met een hart van puur goud, pratend of musicerend met de eindeloze flirt achter de piano, en dus, verbonden met de witte man.

Het is een broeinest, die tent. Een warm bad waarin je als buitenstaander in stapt, en omarmd wordt door het aangenaam warme water. Het is een bijenkorf gevuld met mensen die zich wel of niet interesseren voor interne en externe littekens, die daar wel of niet naar vragen of over willen praten, maar die geen van allen een oordeel vellen. Een plek waar ik m’n mouwen opstroop bij warm weer, en dan een knikje krijg van de gouden-hart-punker; zo van “goed zo, meid”. Ik zou willen zeggen; een plek waar je kan laten zien wie je bent, maar, beter geformuleerd, een plek waar je achter nieuwe aspecten van jezelf komt, omdat je je spiegelt aan prille relaties met nieuw volk. Een samenkomst van mensen, die allemaal hun zware rugzak naast zich neer zetten, en gezamenlijk een biertje drinken. Die rugzak staat er straks ook nog wel.

Mijn rugzak vult zich weer eens langzaam met verandering. En als ik dan thuiskom in een toch nog wat vreemd huis, met de taxi want de laatste bus is al vertrokken, met ietwat teveel alcohol in m’n systeem en me wankelend richting bed beweeg, zet ik de rugzak naast m’n voordeur. Klaar om hem de volgende dag weer op mijn lijf te binden en mijn tocht te vervolgen.

Het is een rugzak vol met pijn uit een grijs verleden. Een rugzak vol pillen, al zijn dat er steeds minder. Een rugzak vol vrienden, oude en nieuwe. Een tas die soms te zwaar is om te tillen, en enkele seconden later weer licht aanvoelt, omdat ik ‘m vrijwel nooit meer alleen hoef te versjouwen.

“Als het niet gaat moet je het zeggen, dan helpen we je”, zegt de punker, terwijl de lieve barman mij van water voorziet. “Ik moet naar huis,” zeg ik. En zo geschiedde. Met een taxichauffeur die mij, tot mijn grootste ergernis, “schoonheid” en “schat” noemt. Maar hij brengt me veilig thuis. Ik moet naar huis.

Tas op m’n rug, en gaan. Tas op m’n rug, en eerst maar slapen. Maar niet voordat ik mijn nieuwe bezittingen erin heb gestopt:

Een liedje, een knuffel en het armbandje van de witte man.

 

Kris Vesseur is componiste, schrijfster en theatermaakster. Iedere maand schrijft zij een blog over een thema rondom beschermd wonen. Ze is gediagnosticeerd met schizofrenie en woont zelf in een beschermde woonvorm. Haar werk is doorspekt met haar psychische kwetsbaarheden en wat dat met haar leven doet. Ze beschrijft het op zowel pijnlijke als hilarische wijze. Voor meer van haar werk kan je haar website ProductiefLabiel bezoeken.