Gisterochtend zat ik, na een vakantie van een week of 5, weer bij de zogenaamde “hersteltraining”. Een groep van 4 clienten uit de BW, waar ik nu dus niet meer onder val, en 2 ervaringsdeskundigen. We bespreken daar aan de hand van een mooi cursusboek verschillende thema’s, waarbij we dat boekje meestal gewoon aan de kant flikkeren, en praten over wat er in ons opkomt, hoe het gaat, waar we tegenaan lopen. 

Ik moest even denken aan iets wat ik laatst op Facebook las. Ging over de corona crisis, en iemand zei “we zitten allemaal in hetzelfde schuitje”. Een mooie reactie van kwam van een jonge vrouw, begin 20, werkzaam in de horeca. Ze sprak dat we misschien wel allemaal in dezelfde storm zitten, maar niet in hetzelfde schuitje. Treffend, want waar de één gewoon door kan gaan met zijn kantoorbaan, zij het vanuit huis, zijn er anderen die door de covid hun baan verliezen. Zij die financieel, emotioneel of mentaal aan de grond geraken, waar anderen door de storm schipperen alsof er feitelijk niet zoveel veranderd is.

Ik denk dat ik deze stelling voor de herstelgroep kan omdraaien. Waar onze stormen niet hetzelfde zijn – de één is bipolair, de ander heeft een angststoornis, er is PTSS en er is dus schizofrenie -, onze schuitjes zijn redelijk gelijk. Onze schuitjes zijn sterk, net als wij, maar ze worden geteisterd door die stormen. We hozen alsof ons leven ervan afhangt, en dat doet het ook op sommige momenten. We laveren door onze rukwinden, met gebroken riemen over de torenhoge golven die ons uitdagen, tot we kunnen roepen; land in zicht! We bereiken uitgeput het zeestrand, komen bij onder een palmboom, alvorens wij onze schuitjes weer het woeste water opsturen. Niet omdat we dat willen, maar omdat dat nou eenmaal ons leven is geworden; zwemmen, varen of verzuipen.

Mijn eigen storm laait de laatste tijd op. Op de meest onverwachte momenten. Mijn schuitje is gehavend, staat op het punt van zinken,  en mijn reddingsvest is al eeuwen geleden over boord gegaan. De term “roeien met de riemen die je hebt”, lijkt meer en meer toepasselijk.

Welke riemen rest een mens, wanneer zij zich al 13 jaar op zee bevindt?

Ik merk dat ik begin te praten. Te praten en te doen, dat ook.En of dat nou ligt aan het feit dat ik in de laatste maand een jaarvoorraad aan alcohol heb gedronken (daarover geen zorgen, ik denk dat mijn weekgemiddelde nog steeds onder dat van alcoholisten zit; ook dat is relatief), of aan het feit dat ik zo graag gehoord wil worden; ik som de feiten weer eens op. En ik deel ze, misschien voor het eerst in m’n leven, met toevallige passanten op mijn levenspad. Het voelt fijn. Het voelt fijn dat er mensen zijn die naar me willen luisteren, die me willen zien, werkelijk zien, die me willen aanraken.

Het zijn gesprekken die me bijblijven. Die, heel soms, het gevoel oproepen dat ik niet alleen ben. Dat ik misschien, heel misschien, niet alleen in dat kloteschuitje zit. Dat mijn processen niet alleen en allemaal aangewakkerd worden door mijn kwetsbaarheid, maar dat sommige dingen in mijn leven gewoon logisch zijn. Oorzaak- gevolg. Causaliteit. En dat er meer zijn die het zo ervaren, zij het door andere oorzaken. Andere stormen. Andere druppels die andere emmers doen laten overlopen.

Verbondenheid.

Draait daar niet het hele leven om? En is dat niet juist hetgeen wat ik zo ontzettend lang gemist heb? Ik vraag het me vaak af; hoe kan ik me verbonden voelen met een ander, als diezelfde ander niet kan ervaren wat ik ervaar en ervaren heb? En daarin heb ik me zo lang de paria gevoeld. Want het lijkt – let wel; het líjkt – alsof de mensen om me heen altijd hetzelfde ervaren als hun omgeving, als de vrienden die ze om zich heen hebben verzameld. Ik kom er meer en meer achter dat dat een misvatting is. En al is mijn leven/verleden misschien een stukkie heftiger dan dat van de meesten, niemand ervaart exact hetzelfde. We zoeken allemaal naar die verbinding, en worden daarin allemaal teleurgesteld. 

Ik vier kleine feestjes der minuscule herkenning. Ik geniet met volle teugen wanneer iemand zegt “hey, dat heb ik ook!”. Ik poog mijn aanvankelijke reacties te temperen, de gedachten van “je snapt er toch niets van”.  Ik geniet van woorden, van gesprekken, die mij langzaam maar zeker aan mijn omgeving binden. Ik geniet van het contrast tussen vrijdag- en zaterdagnacht. Ik geniet van de stormen, die immer doorrazen in en om mij heen. Ik stop de gaten in mijn schuitje vol met mijn resterende, gescheurde kledingstukken. Ik geef niet op. De wind trekt aan. Maar varen zal ik.

De training is overigens bijna afgelopen. En gezien de verhuizing zal ik de meeste van mijn oude BW-genootjes niet meer zien over een week of 3. Hoewel de oudere vrouw mij al op de thee vroeg. Zij is er zo een die altijd, hoe hard de storm ook woedt, als een koningin in haar schuitje zit. Haar haren gekapt, haar kleding in de plooi. Haar schuitje, al is het maar in haar eigen fantasie, veranderend in een cruiseschip. Mooi is ze. Angstig, maar mooi. En dat laat ze zien.

Als ik aan haar denk overvalt me een soort jaloezie. Ze kan praten als de beste. Over alles, zo lijkt het wel. En of dat nu waar is of niet, ik neem me voor om zoals zij te worden, Later, als ik oud ben. Geen doemscenario’s bedenken. Gewoon leven. Roeien. Varen. Schipperen. Mooi zijn.

En ik neem me voor mijn schuitje te versieren, zoals zij elke dag zichzelf versiert. Met bloemen, met kleuren, slingers. Het leven is geen feestje, maar je kan alsnog de slingers ophangen.

Met een grote, rode viltstift kalk ik het op de beide zijkanten van dat godvergeten bootje in de woeste oceaan:

HIER VAAR IK!